Een Jeugdherinnering van Leonardo da Vinci (Freud 1910)

Lezing Thijs de Wolf, Vilnius, 1 juni 2018

“Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten” (Ps. 22, 2-3; Mt. 27,46; Mc. 15,34)

 

Ik wil u graag meenemen door het prachtige boek van Freud over Leonardo da Vinci: ‘Eine Kindheitserinnerung des Leonardo da Vinci’. Hij schreef het weliswaar in 1910 maar het is nog een uiterst actuele studie. Freud bedoelt met dit werk niet de ultieme interpretatie van het werk van Leonardo te geven, het gaat om ’n interpretatie. Freud laat zien wat voor mogelijke betekenissen er opdoemen wanneer met een psychoanalytische bril naar de werkelijkheid wordt gekeken.

LeonardoDeze studie van Freud gaat niet over de kunst maar over de kunstenaar Leonardo da Vinci. Freud had een grote bewondering voor Leonardo en identificeerde zich met hem. Wat beide mannen gemeen hadden was dat ze beiden de oogappel van hun moeders waren en dat hun vaders afwezig waren, bij Leonardo feitelijk, bij Freud emotioneel. Beiden waren mannen van wat in wielertermen genoemd wordt de ‘buitencategorie’. Leonardo markeert de overgang van de klassieke oudheid naar de renaissance, het tijdvak waar de nadruk op de collectiviteit werd ingeruild voor de focus op het individu. Freud op zijn beurt staat op de drempel van de moderne tijd waarin het toenemend ging over de autonomie van het Zelf.Freud

Inleiding

Van de psychoanalyse wordt vaak gezegd dat zij een kunst en een kunde is. De psychoanalyse bevindt zich niet alleen op het grensvlak tussen psychologie en biologie,maar ook op de grens tussen kunst en wetenschap. Daarmee is de psychoanalyse, net als Leonardo de kunstenaar en wetenschapper niet te definiëren en ongrijpbaar. Freud verzamelde antieke kunst uit Egypte, Griekenland, het Romeinse Rijk en ook uit China. Dat zijn patiënten droomden over Griekse thema’s kwam doordat zijn kamer vol stond met replica’s van klassieke kunstwerken. Een aantal maanden na zijn aankomst in Londen, na zijn vlucht uit Wenen, schreef hij aan Jeanne Lampl- de Groot (Schiedam, 1895) dat al de Egyptenaren, Chinezen en Grieken waren gearriveerd in Londen zonder al te veel te zijn beschadigd. In Londen, zo schrijft Freud, leken ze indrukwekkender dan in de Berggasse. De relatie tussen de psychoanalyse en de kunst is altijd een heel specifieke geweest. Zo gebruikte Freud Leonardo da Vinci’s metaforen ‘Per via di porre’ en ‘Per via di levare’ om het onderscheid tussen steunende en meer openleggende vormen van psychotherapeutisch interveniëren duidelijk te maken.

* Als voorbeeld van het gebruik maken van de ‘via di porre’ beschrijft da Vinci de schilderkunst. De schilder bedekt het lege doek met kleur en laagjes verf, net zoals suggestie en overreding iets toevoegen, teneinde verandering dan wel genezing te bewerkstelligen.
* Daartegenover staat de beeldhouwkunst. Zij verwijdert van de steen al datgene wat het beeld, opgesloten in het marmer, aan het zicht onttrekt. Dit is wat da Vinci beschrijft met de ‘via di levare’.
Evenals de beeldhouwkunst wil de psychoanalyse niet iets toevoegen, zij wil iets weghalen om daarmee het individu te bevrijden en zijn authenticiteit naar voren te laten komen.

Freud maakte verschillende reizen naar Italië, de bakermat van de renaissance. Hij schreef vervolgens twee belangrijke geschriften over de kunst. Eén over de schilderkunst en één over de beeldhouwkunst:

* In 1910 Een Jeugdherinnering van Leonardo da Vinci.
* In 1914 De Mozes van Michelangelo.

Beide publicaties maken ons veel duidelijk, zowel over de kunstenaar als over de schrijver. Zoals Mozes het Joodse Volk uit Egypte het beloofde land binnenleidde en hen een monotheïstische religie bood in plaats van het gouden kalf. Zo nam Freud zijn volgelingen mee op weg naar, wat hij noemde: een wetenschappelijke psychologie van het onbewuste (1895).
In het vervolg van dit betoog zal het gaan over Leonardo de kunstenaar en wetenschapper, maar vooral over de pijn en het gemis van waaruit zijn creatieve erfenis is geboren. In ‘Een Jeugdherinnering van Leonardo da Vinci’ laat Freud zien hoe belangrijk de vroege preoedipale relaties van het kind met het primaire moederobject is voor zijn ontwikkeling, en wat het effect daarbij is van de afwezigheid van het vroege vaderobject. Liefde en Haat alsmede het verbod daarop lopen als een rode draad door de studie van Freud over Leonardo da Vinci heen. Gemis en creativiteit liggen bij Leonardo in elkaars verlengde. Voor we echter verder op zoek gaan naar, in de opvattingen van Freud, de wortels van Leonardo’s creativiteit, eerst iets over seksualiteit en verleiding bij Freud.

Seksualiteit

Freud zag de seksualiteit als de onderliggende factor voor de ontwikkeling van pathologie. Anderzijds is het zo dat voor Freud seksualiteit niet een louter biologisch concept was. Seksualiteit/Libido is een mentale representatie en ontstaat derhalve binnen de relatie. Seksualiteit ligt op de grens van het somatische (fysieke) en het mentale. Psyche en Soma hangen op een intense wijze met elkaar samen. Seksualiteit is niet iets wat zich op een autonome wijze en ‘als vanzelf’ in het kind ontwikkelt. Seksualiteit komt van buitenaf, vanuit de wereld van de volwassene. Niet primair vanuit de wereld van de vader maar eerder uit de wereld van de moeder, zoals de Franse psychoanalyticus Laplanche laat zien. Achter de oedipale triade waarin vader een dominante rol speelt, gaat de dyadische, anaclytische relatie met moeder schuil. Dit is de kern van de verleidingstheorie van Laplanche; het gaat daarbij niet zozeer om een toevallige verleiding maar om een structurele verleiding door het primair moederobject. Achter de verleidende vader gaat de verleidende moeder schuil.
Deze visie over seksualiteit en de ontwikkeling van een seksuele identiteit is uitermate actueel. We zien een dergelijke visie heden ten dage ook verwoord door Target (2007) en Fonagy (2008) in samenhang met de theorie over de spiegeling door de primaire ouderobjecten. We keren nu terug naar Freuds tekst over Leonardo.

Leonardo da Vinci

Voor Freud was Leonardo “een der grootste mannen van de Italiaanse renaissance die al door zijn tijdgenoten bewonderd en toch ook als raadselachtig gevonden werd, zoals nu nog door ons (Freud). Hij was een alzijdig genie, van wie men de contouren alleen kan bevroeden nooit doorgronden, die in zijn hoedanigheid van schilder de grootst mogelijke invloed op zijn tijd uitoefende; eerst aan ons (Freud) was het voorbehouden de grootheid van de natuuronderzoeker … die in hem met de kunstenaar samenging te onderkennen” (Freud 1910). In zijn boek over Leonardo laat Freud ons kennis maken met concepten als ‘sublimering’, ‘narcisme’, ‘spiegeling’, ‘identificatie met’ en spreekt hij over verschillende uitingsvormen van seksualiteit. Hij fundeerde het oedipale conflict in de vroege moeder-kindrelatie en verbond het met het narcisme. Zo beschrijft hij de (homo)seksuele identiteit als een samengaan van enerzijds genetische disposities en anderzijds specifieke identificaties met de ander. In de onderhavige studie vat hij seksuele identiteit als geworteld zowel in ‘Nature’ als ‘Nurture’. In feite komt Freud in zijn boek over Leonardo terug op de eerste verleidingstheorie die hij eerder had verlaten.

Als het over sublimering gaat beschrijft Freud de verschuiving van de bevrediging van de seksuele drift in de richting van niet-seksuele of conflictgebonden activiteiten die overigens wel verwant zijn aan het eerdere seksuele doel. “Wanneer wij in het karakterbeeld van iemand één extreem ontwikkelde drift aantreffen, zoals bij Leonardo de weetgierigheid, beroepen we ons ter verklaring op een specifieke aanleg, waarvan de waarschijnlijk organische determinanten meestal nog onbekend zijn …. We achten het waarschijnlijk dat deze ongewoon sterke drift al in iemands vroegste jeugd werkzaam is geweest en dat haar primaat door indrukken van het kinderleven werd vastgelegd. Voorts nemen we aan dat deze drift in oorsprong seksuele drijfkrachten voor haar versterking heeft gebruikt, zodat ze later een deel van het seksuele leven voor haar rekening kan nemen”(1910). Freud doelt daarbij expliciet op uitingen van artistieke en intellectuele creativiteit, kunst en wetenschap. In dit citaat gaat het over twee verschillende zaken, enerzijds over het verschijnsel van de sublimering en anderzijds over de positionering van de psychoanalyse op het grensvlak tussen de biologie en de psychologie in.

Wat dit laatste betreft fundeert Freud hier weliswaar het manifeste gedrag in de biologische rijping, dit wil echter niet zeggen dat de psychologische ontwikkeling een epifenomeen van de biologische rijping is. Het gaat niet om een lineair maar om een circulair causaal verband. Freud fundeert de sublimering in het samengaan van de drive naar autonomie/egogericht en die naar verbondenheid/seksualiteit. Zo kan seksuele nieuwsgierigheid leiden tot wetenschappelijke nieuwsgierigheid, naar hoe dingen in elkaar steken. Later zou Freud sublimering verder uitwerken in de richting van een functie van het ego en daarmee werd sublimering verbonden met het concept afweer. Wel nam hij daarmee gaandeweg afstand van de visie dat sublimering een driftderivaat zou zijn. Veel van de belangrijke vragen waar de psychoanalyse zich mee heeft bezig gehouden en nog mee bezig houdt, vinden we reeds aanwezig in Freuds studie over Leonardo.

Freud beschrijft Leonardo als een fijnzinnige, beminnelijke en innemende man, gesteld op schoonheid, mooie kleren, iemand die elke verfijning van het leven apprecieerde. Maar ook als iemand die conflicten en vijandschappen uit de weg ging, vredelievend en agressiegeremd. Iemand die moeite had met het afmaken van zijn schilderijen en die een uitermate traag werktempo had. Met de loop der jaren verschoof de interesse van Leonardo van kunst naar wetenschap. “Zijn vrouwelijke fijngevoeligheid weerhield hem er niet van veroordeelde misdadigers op weg naar hun terechtstelling te begeleiden, om hun van angst vertrokken gezichten te bestuderen en in zijn zakboekje uit te tekenen, zomin als ze hem belette de wreedste aanvalswapens te ontwerpen en als hoogste militaire ingenieur in dienst van Cesare Borgia te treden. … Zijn affecten waren beteugeld, aan de speurdrift onderworpen; hij voelde geen liefde of haat, maar vroeg zich af waar iets vandaan kwam, wat hij moest liefhebben of haten en wat dit betekende”. Seksualiteit, liefde en haat werden omgezet in intellectuele belangstelling. Hij was niet van hartstocht verstoken. “Hij had hartstocht alleen omgezet in dorst naar kennis”, zo schrijft Freud.

Een Jeugdherinnering van Leonardo da Vinci

De herinnering waar het over gaat in de titel van het boek is de volgende: “Want als een heel vroege herinnering komt mij voor de geest dat, toen ik nog in de wieg lag, een gier tot mij neerdaalde, met zijn staart mijn mond opende en met die staart vele malen tegen/tussen mijn lippen stootte”. Deze herinnering wordt door Freud opgevat als een fantasie of een ‘Dekherinnering’. Maar een fantasie is nooit zo maar een fantasie; ze is doorgaans gefundeerd in de realiteit oftewel verbonden met een ‘dagrest’, met andere woorden een fantasie is geworteld in de externe realiteit. Fantasie en realiteit, binnen- en buitenwereld zijn met elkaar op een complexe wijze verbonden maar vallen niet samen. De vraag die Freud zich stelt is welke historische realiteit ten grondslag ligt aan Leonardo’s kinderlijke fantasie.

Freuds antwoord daarop is dat de fantasie verbonden is met de fellatio, maar dat achter de fellatio het ‘zogen’, de moederborst schuilgaat. Verderop in de tekst verbindt Freud de fantasie aan het intens gekust worden door de moeder. Vervolgens verbindt hij dit met de beroemde glimlach van de Gioconda (de Mona Lisa). Haar glimlach drukte in de gedachtegang van Freud “de essentie van de vrouwelijkheid uit … terughoudendheid en verleidelijkheid … toegewijde tederheid en meedogenloos dwingende, de man als iets vreemds verterende zinnelijkheid” (Freud 1910).
De vraag kan gesteld worden of Freud zich hier niet liet leiden door zijn eigen fantasieën over zijn moeder en de relatie die hij had met haar. Freud was immers moeders oogappel en zijn vader was emotioneel gezien niet echt aanwezig. Hoe dan ook, volgens Freud was de relatie van Leonardo’s moeder tot haar zoon doordrongen van onbewuste seksualiteit. Waarbij de moeder van Leonardo bij haar zoon trachtte te vinden wat ze bij Leonardo’s vader niet kon vinden, omdat hij haar verlaten had; oftewel Leonardo is opgevoed door zijn moeder in afwezigheid van een vader.

Leonardo’s vroege kindertijd

Leonardo werd geboren op 15 april 1452 in Florence en hij overleed 2 mei 1519 te Amboise in Frankrijk, waar hij ook begraven ligt. Hij was het onwettige kind van zijn vader, een notaris, en zijn moeder Caterina, een arm boerenmeisje. Nog in het eerste jaar na de geboorte van Leonardo huwde zijn vader de voorname Donna Albiera. Hun huwelijk bleef echter kinderloos. Leonardo werd de eerste jaren van zijn leven opgevoed op het platteland door zijn moeder. Zijn eerste levensjaren werden gekenmerkt door de afwezigheid van (hetero)seksuele relaties. Volgens de officiële stukken woonde Leonardo op zijn 5e jaar in het huis van zijn vader en diens vrouw, alwaar hij een opvoeding kreeg met meer mogelijkheden dan bij zijn biologische moeder het geval zou zijn geweest. In het huishouden van zijn vader trof Leonardo niet alleen zijn stiefmoeder, maar ook de moeder van zijn vader, die hem ook met de gebruikelijke liefde van een grootmoeder zal hebben bejegend. De prijs die Leonardo daarvoor moest betalen was dat hij de kinderloosheid van zijn stiefmoeder ongedaan moest maken door de plaats in te nemen van de ongeboren kinderen van zijn vader en stiefmoeder. En dat hij opnieuw een ernstige separatie meemaakte, nu van zijn biologische moeder. Wanneer hij precies in het huishouden van zijn vader en stiefmoeder werd opgenomen is niet duidelijk.

• Leonardo en zijn Moeder

Leonardo werd de eerste jaren van zijn leven opgevoed door zijn moeder die verlaten was door haar minnaar, terwijl hijzelf verlaten werd door zijn vader. Zowel zijn moeder als Leonardo zullen zich eenzaam en verlaten hebben gevoeld. Met als gevolg dat de relatie tussen moeder/Caterina en kind/Leonardo intens zal zijn geweest. Freud brengt dit in verband met de jeugdherinnering van Leonardo en vooral de passage waarin de vogel met zijn staart tegen de lippen van Leonardo stootte. Bij het ontbreken van de relatie met de vaderfiguur zal het doorbreken van de dyadische relatie met moeder of ook het opgeven van de symbiotische relatie met haar uiterst complex zijn geweest voor Leonardo.

Leonardo was niet alleen het kind van zijn moeder maar moest ook de plaats van haar minnaar innemen door wie zij eerder was afgewezen en die ook zijn zoon had afgewezen. Leonardo nam in de relatie met zijn moeder de plaats in van de afwezige minnaar, terwijl moeder voor Leonardo naast dat zij zijn moeder was ze ook de afwezigheid van zijn vader moest compenseren. Ook voor moeder was dus het opgeven van de dyade met haar Leonardo ingewikkeld en complex. Toch stond zij na een aantal jaren haar zoon af aan de man die haar verlaten had. En weer werd Leonardo verlaten, nu door zijn moeder die hem weggaf aan haar rivale. De relatie van Leonardo en zijn moeder was uitermate ambivalent; beiden waren zowel slachtoffer als dader. In dit script staat separatie en premature erotische overstimulatie centraal.

Freud legde een verband tussen de erotische overstimulatie door moeder en de (mogelijke) homoseksualiteit van Leonardo. Daarbij tekent Freud overigens aan dat er vele vormen van hetero/homoseksualiteit zijn waarin naast identificaties met andere objecten ook genetische disposities een rol spelen. De seksuele identiteit was voor Freud in zijn studie over Leonardo verbonden met een subtiel samenspel tussen genetische disposities en omgevingsvariabelen, oftewel met de kwaliteit van de vroege ouder-kindrelaties. In het begin hield Freud pathologie van de ontwikkeling en pathologie verbonden met het innerlijk conflict bij elkaar. Later zou zijn aandacht zich meer richten op vormen van pathologie verbonden met innerlijke conflicten.

Leonardo’s biologische moeder was verleidend en incestueus vanwege de ontbrekende vader. Ze zocht bij haar zoon de geborgenheid en intimiteit die ze normaal gesproken bij Leonardo’s vader gehoopt had te vinden, daarnaast zocht ze bij hem de troost over de verlating.

• Leonardo en zijn Stiefmoeder

Het valt te begrijpen dat ook de relatie van Leonardo met zijn stiefmoeder uitermate complex was. Enerzijds moest hij haar kinderloosheid dragelijk maken, terwijl zij daarmee tegelijkertijd de oorzaak was van het verlies van zijn biologische moeder. Bovendien was zij er de oorzaak van dat Leonardo de eerste jaren zonder vader opgroeide. Daarnaast zal Leonardo veel van zijn agressie bedoeld voor zijn biologische moeder geprojecteerd hebben op zijn stiefmoeder, om zo het beeld van zijn (verleidende) biologische moeder goed en mooi te kunnen houden. Maar daarenboven bood het leven bij haar ook mogelijkheden die bij zijn biologische moeder afwezig waren. Kortom, Leonardo’s binnenwereld moet gekleurd zijn geweest door intense van elkaar afgesplitste affecten van liefde en haat die niet te integreren waren, omdat ze zo intens verankerd waren in zijn externe realiteit.
Wat niet kan worden geïntegreerd moet worden vermeden en viel daarmee weg uit de communicatie tussen Leonardo en de anderen, zoals zijn moeder, stiefmoeder en zoals we hierna zullen zien ook zijn vader. Veel van de gebeurtenissen uit het leven van Leonardo konden niet mentaal worden gerepresenteerd in herinneringen en blijven dus buiten de ervaring. We komen hier aan het einde van dit verhaal op terug, bij de bespreking van Freuds citaat van Leonardo aan het einde van zijn studie.

• Leonardo en zijn Vader

Ook de relatie tussen Leonardo en zijn vader was complex en uiterst ambivalent. Hij was de eerste zoon van zijn vader door wie hij in eerste instantie werd afgewezen om later in zijn huis te worden opgenomen, zij het nadat was gebleken dat stiefmoeder kinderloos bleef. Bepaald een sterke voedingsbodem voor zowel haat als liefde. Freud legde een relatie tussen de afwezigheid van een grenzenstellende vader tijdens de eerste jaren in het leven van Leonardo en zijn latere, afwijzende houding ten opzichte van autoriteiten en de orthodoxie van het geloof. Immers als kunstenaar en wetenschapper vond hij de vrijheid om te scheppen, te experimenteren en te onderzoeken zonder zich geïntimideerd te voelen door vaderlijke leiding. De vroege verlating door zijn vader en het vervolgens later opnemen van Leonardo in zijn huishouding zal veel tegenstrijdige gevoelens bij de jonge Leonardo hebben opgeroepen, waardoor het aangaan van de oedipale rivaliteit met zijn vader ernstig zal zijn belemmerd. Ook zal de vroege verlating door zijn vader bij Leonardo gevoelens van schaamte en een gevoel van ‘niet goed genoeg zijn’ hebben opgeroepen. Hij was door het gedrag van zijn vader een bastaard en daarmee een tweederangs burger. Niet goed voor een stevig en samenhangend zelfgevoel
De complexiteit van zijn vroege kindertijd zal bij de jonge Leonardo vragen hebben opgeroepen over zijn eigen oorsprong, over hoe gaat dat: kinderen krijgen, waar komen ze vandaan, hoe gaat dat in zijn werk: ’zwangerschap’ en wat is daarbij de rol en plaats van vaders en moeders. Waar kom ik vandaan en waarom heeft mijn vader mij verlaten?
In Freuds opvattingen heeft Leonardo zijn behoefte aan zorg en liefde van de primaire objecten (de dominant aanwezige seksueel overprikkelende moeder en zijn afwezige vader) hanteerbaar weten te maken door de omzetting van zijn behoeften naar artistieke creativiteit, wetenschappelijke nieuwsgierigheid en zijn vermeende homoseksualiteit.
In de periode dat Freud het oedipale conflict steeds meer in het centrum van zijn denken ging zetten, legde hij in zijn boek over Leonardo de nadruk op de betekenis van de preoedipale relatie tussen het kind en de primaire objecten. Daarmee keerde hij in wezen terug naar zijn eerdere verleidingstheorie. Achter de triade van het oedipale conflict gaat de dyade met het moederobject schuil. Verleiding gaat in het leven van Leonardo hand in hand met verlating. De vroege verlating door de vader bemoeilijkt de separatie van moeder en kind.

De dyadische verleiding door het primair moederobject loopt uit in een narcistische ontwikkeling van het kind. In het narcisme ervaart het kind zichzelf als het eerste ‘andere’ object na de symbiotische relatie met moeder. Een dergelijke beleving kan worden versterkt door de adoratie van het moederobject. De dyadische fase met zijn nadruk op de betekenis van de ouder-kindrelatie, de narcistische ontwikkeling en het triadische oedipale conflict komen in het werk van Freud over Leonardo da Vinci bij elkaar in een samenhangend betekenisvol netwerk; geen triade zonder dyade en vice versa. Daarbij draait het voortdurend om attachment en detachment, om separatie/verlating en verbinding, om autonomie en verbondenheid. De grenzen tussen creativiteit en destructiviteit zijn hier angstig dun.

In zijn studies over de hysterie (1895) is het volgens Freud de vader die de seksualiteit in het leven van het kind introduceert. Met de terugkeer van de eerste verleidingstheorie echter verschuift het accent bij Freud van de vader naar de moeder. Het is Ferenczi die in zijn prachtige artikel uit 1933 ‘The Confusion of Tongues’ het perspectief verbreedt van de vader naar de moeder en vervolgens naar de volwassene. Vader en moeder zijn niet alleen vader en moeder van hun kind, maar ook minnaar en minnares van elkaar. Vaders en moeders strelen, wassen, knuffelen, troosten en kussen hun kind. Vaders en moeders zoeken bij elkaar als minnaar en minnares de bevrediging van hun seksuele wensen en verlangen en derhalve knuffelen, strelen, kussen en vrijen ze met elkaar. De taal van vaders en moeders verschilt van die van minnaars en minnaressen, maar lijken ook op elkaar.

Duidelijk moet zijn dat de ene kus of knuffel de andere niet is. Als dat wel zo is dan lopen dingen door elkaar en is er sprake van ‘Confusion of Tongues’. Dan stopt het denken/fantaseren over seksualiteit, er worden geen gedachten, gevoelens over de seksualiteit meer gegenereerd en uitgewisseld, de ‘alsof’-modus raakt geblokkeerd. Dit is het geval bij overprikkeling door de ouders, bij seksuele traumatisering en mishandeling. Seksualiteit valt dan weg uit de communicatie tussen de ouder en het kind omdat het te bedreigend is. De fantasie wordt tot werkelijkheid gemaakt. Dat is wat gebeurt bij seksueel misbruik en bij seksueel grensoverschrijdend gedrag in een behandeling. Wensen en verlangens van het kleine kind zijn anders dan die van de volwassenen.

Ouders kunnen de wensen en verlangens van hun kind niet volledig bevredigen noch representeren, ook al omdat seksualiteit stamt uit de periode van voordat er zo iets is als een mentaliserend vermogen. Dit impliceert dat seksualiteit relatief ongementaliseerd blijft omdat ouders dit niet adequaat affectief en cognitief kunnen representeren voor hun kinderen. Het seksuele verlangen is eindeloos.

Het bovenstaande anders gezegd houdt in dat het kleine kind op een structurele wijze voortdurend wordt geconfronteerd met seksuele betekenissen die het zelf niet creëert, die niet van binnenuit komen maar van buitenaf en waar het kind nog niet klaar voor is, omdat het (nog) niet in staat is deze betekenissen cognitief en affectief te integreren. Dit brengt ons bij het concept van de ‘Nachträglichkeit’.

Nachträglichkeit

In zijn ontwerp van een wetenschappelijke psychologie (1895) beschrijft Freud een aantal gebeurtenissen uit het leven van Emma, waarmee hij duidelijk probeert te maken hoe pas achteraf, in tweede instantie een gebeurtenis als traumatisch kan worden beleefd. Emma wordt als 8-jarig meisje onzedelijk betast door een kruidenier. Op dat moment treedt er geen traumatisch effect op, omdat Emma nog niet in staat is de gebeurtenis in cognitief en affectief opzicht in zijn seksuele betekenis te plaatsen en te begrijpen. Traditioneel gezegd, Emma verdringt het gebeurde en de verdringing slaagt. Tegenwoordig zouden we zeggen dat de voor Emma niet te begrijpen gebeurtenis onbegrepen blijft en geen plaats krijgt in de communicatie van Emma met haar omgeving. Pas een aantal jaren later, wanneer Emma in de puberteit is en een kledingwinkel binnenstapt waar zij uitgelachen wordt door de verkopers, krijgt de eerste gebeurtenis alsnog een pathologische betekenis. Ze begrijpt direct dat de mannen lachen om haar kleren en ze ontwikkelt een fobie. Voor Freud wordt de tweede (op zich onschuldige) situatie via een complex netwerk van associaties verbonden met de eerste (verleidings)scene, waardoor deze eerste scene terugkomt aan de rand van het bewustzijn, oftewel er is sprake van ‘de terugkeer van het verdrongene’. Omdat Emma ten tijde van de eerste scene geen gedachten en gevoelens heeft kunnen ontwikkelen rond seksualiteit, kan ze zich nu niet redden en voelt ze zich onthand. Ze kan de eerste situatie nu wel als seksueel verleidend ervaren, vanwege het feit dat ze in de puberteit is aanbeland met al de hormonaal gekleurde gevolgen van dien. Maar omdat ze er eerder geen gedachten en/of gevoelens over heeft kunnen genereren, kan ze er nu niets mee. Seksualiteit is voor haar een onontgonnen gebied en blanco vlek.
De seksualiteit komt van buiten ( de verleiding door de ander) en krijgt pas achteraf zijn eigenlijke seksuele en traumatische betekenis. We komen hier aan het eind van ons verhaal op terug wanneer we meer expliciet komen te spreken over het onbewuste.

De ‘Glimlach’ in het werk van Leonardo

Winnicott legt in zijn werk sterk de nadruk op de betekenis van de vroege ouderrelatie. Hij maakt daarbij duidelijk wat het eerste is wat het kind ziet: zichzelf gespiegeld in de ogen van de moeder. Inmiddels weten we dat het niet het kind zelf is dat wordt gespiegeld maar de relatie tussen moeder en kind. De uitdrukking op het gezicht van de moeder maakt iets duidelijk van de affectieve betrekking van de moeder ten opzichte van haar kind. De blik van de moeder is vol van betekenis, ze kan liefdevol of hatend zijn, blij of vol verdriet, beschermend maar ook bedreigend, veiligheid biedend maar evenzeer onveiligheid. Het kind zoekt voor zijn zelfbevestiging en behoefte aan veiligheid dan ook de blik van de moeder, net zoals de moeder de blik van haar kind zoekt. Het kind ziet zichzelf door de ogen van de ander, de moeder. Het kind probeert de moeder te lezen om zich zelf te leren kennen en begrijpen. Binnen de dyade faciliteren en stimuleren moeder en kind elkaar. Ze zijn een twee-eenheid, intersubjectiviteit vanaf het begin. In de blik van moeder en kind gaat het om de aard van het gezien worden, om sensitiviteit en responsiviteit. Het is zowel het primaire moederobject als het vaderobject die beiden vanwege hun adequate sensitiviteit en responsiviteit het kind behulpzaam zijn in zijn losmakingsproces. Daarbij is van belang dat de relatie tussen vader en moeder goed oftewel veilig is.
Mag ik van mezelf zijn of dien ik een verlengstuk van moeder, de ander te blijven. Het kind heeft de hulp van een liefhebbende vader nodig om de dyade met de moeder te doorbreken en de wereld van de triade binnen te treden. Dat is de wereld van het delen, de wereld waarin de ander ook echt een ander is met een eigen leven, eigen wensen en verlangens.

In zijn studie over Leonardo blijkt Freud, net als vele anderen gefascineerd te zijn door de glimlach van de maagd Maria en haar moeder in het schilderij: ‘Madonna met kind en de heilige Anna’, evenals door de glimlach van de ‘Mona Lisa’. Hij beschrijft de glimlach op de lippen van de vrouwen als raadselachtig: “Het is een onbeweeglijke glimlach, op langgerekte gewelfde lippen”, het is deze voor Leonardo karakteristieke glimlach die de toeschouwer fascineert en in verwarring brengt. In de visie van Freud deed de glimlach van Gioconda Leonardo onbewust denken aan de glimlach ván en daarmee aan de relatie mét zijn moeder. Door die glimlach van Gioconda werd de verdrongen herinnering aan zijn hem adorerende moeder opnieuw geactiveerd: het gaat om de terugkeer van het verdrongene.

Freud vat de figuren op het schilderij ‘Madonna met kind en de heilige Anna’ op als de representaties van Leonardo’s biologische moeder Caterina samenvallend met de moeder van zijn vader, Monna Lucia, en als representatie van Leonardo’s stiefmoeder Donna Albiera. Het gaat om een transgenerationeel perspectief. Het kind Jezus vat Freud op als de representatie van Leonardo zelf. In deze laatste representatie valt de narcistisch gekleurde grootheidsfantasie, Leonardo als de Christus, direct op. Anderzijds worden ook de moederfiguren geïdealiseerd in de personen van de Madonna, de moeder van God en de heilige Anna. Het gaat om de geadoreerde zoon van een geïdealiseerde moeder, een krachtige voedingsbodem voor een narcistische ontwikkeling. Het gaat om een kind geboren uit een maagd, dus buiten de seksualiteit om, een ware zoon van God.

De glimlach in de schilderijen van Leonardo wordt doorgaans en ook door Freud opgevat als ambivalent: terughoudend en anderzijds verleidend, goed en slecht. Het gaat om zowel de glimlach van de madonna als die van de hoer, jong en oud vallen samen, verleidend en castrerend. Het gaat voortdurend om de thema’s verleiding en separatie.

• Mona Lisa

De glimlach van de Mona Lisa verwijst naar de eerder besproken kinderfantasie van Leonardo. Daarin komen samen de smachtelijke herinneringen van Leonardo aan de liefdevolle kussen van zijn moeder. Caterina liet in haar kussen de tederheid van een moeder naar haar kind met de passie van een minnares voor haar minnaar samen vloeien. Zodoende maakte zij de verlating door haar minnaar, maar eveneens de vaderloosheid van haar kind dragelijk, zowel voor haarzelf als voor Leonardo. Die dubbelzinnige tederheid werd Leonardo in zijn latere leven fataal; het bepaalde zijn lot en de wijze waarop zijn leven verder vorm kreeg. Daarmee werd haar kind voor haar de plaatsvervanger van haar man en onthield ze Leonardo door de al te vroege rijping van zijn erotiek een deel van zijn mannelijkheid. Caterina was in de opvatting van Freud niet adequaat toegerust de taal van haar kind en die van haarzelf als volwassene van elkaar te differentiëren en goed te lezen.

Leonardo schilderde zijn Mona Lisa op het moment dat hij, zoals Freud schrijft: “zijn seksuele gevoelens en passie reeds lang had omgezet in wetenschappelijke nieuwsgierigheid en artistieke creativiteit. De mysterieuze glimlach van zijn model, de Mona Lisa, riep in Leonardo de herinnering op aan de liefdevolle en verleidelijke glimlach van zijn biologische moeder. Het ging om de terugkeer van het verdrongene. Het was die glimlach die hij probeerde te schilderen, niet alleen in de Mona Lisa maar ook bij vrouwenfiguren in zijn andere schilderijen. Het werd zijn handelsmerk en naar hem ook wel ‘Leonardesk’ genoemd. We zien de Leonardeske glimlach niet alleen bij Leonardo’s vrouwenfiguren, maar ze is ook waar te nemen in het gelaat van Johannes de Doper. Veel van de personen die Leonardo schilderde hebben iets androgyns in zich. Mogelijk heeft Leonardo, van wie bekend is dat hij in zijn leven geen duurzame relaties heeft gehad, in de mysterieus glimlachende gedaanten het ongeluk van zijn liefdeleven ontkend en artistiek overwonnen door aan de wensvervulling van de kleine en door zijn moeder betoverde jongen gestalte te geven in de gelukzalige vereniging van het mannelijke en het vrouwelijke”. Daarmee pogend zijn onbewuste seksuele verlangen naar zijn moeder te vangen in zijn schilderijen. De glimlach was er voor het schilderij, en zij kwam van buitenaf.

• Madonna met kind en de heilige Anna

We zien de mysterieuze ‘Leonardeske’ glimlach ook terug bij de vrouwenfiguren op het schilderij van ‘Madonna met kind en de heilige Anna’. In dit schilderij, geschilderd na de Mona Lisa, ligt naar de gedachte van Freud de synthese van Leonardo’s jeugd: de afwezigheid van vader, opgevoed door meerdere moeders, zijn biologische moeder, zijn stiefmoeder en de moeder van zijn vader. Dit alles wordt in dit schilderij verbonden met de vroegkinderlijke fantasie, genoemd door Leonardo zelf. Oskar Pfister heeft naar aanleiding van dit schilderij een opmerkelijke en interessante ontdekking gedaan, die overigens niet door iedereen gedeeld werd en wordt. Hij heeft in de eigenaardig vormgegeven en niet gemakkelijk te doorgronden kledij van Maria de contouren ontdekt van de vogel uit de eerder beschreven herinnering van Leonardo. Daarmee is de cirkel dan rond.

De heilige Anna was de moeder van Maria die de moeder van Jezus was. Opvallend in het schilderij is dat men zou verwachten dat de heilige Anna een generatie ouder zou zijn geschilderd dan de heilige maagd Maria. Dat is niet het geval. Op het schilderij heeft Leonardo Christus twee moeders gegeven. Bovendien heeft Leonardo beide figuren zo geschilderd dat het moeilijk te bepalen is waar Maria begint en St. Anna ophoudt; ze lopen in elkaar over. Leonardo laat beide moeders in elkaar vervloeien. In de compositie van het schilderij vervloeien de biologische en de stiefmoeder met elkaar. “Met de gelukzalige glimlach van de heilige Anna (figuur op de achtergrond) heeft de kunstenaar wellicht de afgunst geloochend en toegedekt die de ongelukkige vrouw (Caterina, de moeder) voelde toen ze aan de voornamere rivale, zoals eerder haar man, nu ook haar zoon moest afstaan”. Eenzelfde wijze van vervloeien zien we ook terug bij een beroemd ‘karton’ wat moest dienen als een voorstadium voor een later schilderij, waarop naast de heilige Maagd Maria met haar kind, ook de Heilige Anna en Johannes de Doper als klein kind staan afgebeeld. Dit ‘karton’ is overigens nooit tot een schilderij geworden en getekend voordat de Mona Lisa werd geschilderd.

Het karton met daarop de tekening van Maria met kind en de heilige Anna en Johannes de Doper, maar ook Madonna met kind en de heilige Anna kunnen ook op een andere wijze worden gelezen, namelijk als de voorloper van wat later D. Stern zou beschrijven als de ‘motherhood constellation’. Moeder Maria is niet alleen de moeder van Jezus maar ook het kind van haar eigen moeder, de heilige Anna. Kortom, het gaat niet alleen over de versmelting van Maria/Caterina met Jezus/Leonardo maar ook die tussen Maria en haar moeder de heilige Anna.

Voor alle helderheid, de glimlach van Gioconda verwijst dus niet alleen naar de adorerende houding van Caterina ten aanzien van Leonardo, maar evenzeer naar de daarachter schuilgaande woede en pijnlijk verdriet over zowel de afwijzing door de vader van Leonardo als het feit dat haar ook haar kind werd afgenomen. Het zijn overigens niet alleen de heilige Maagd en de heilige Anna die in elkaar vervloeien en overlopen, ook het kind, de Christus is moeilijk af te grenzen van de moederobjecten. Vandaar ook dat dit schilderij wel de naam kreeg van de ‘Aardse Drie-eenheid’ in tegenstelling tot de ‘Goddelijke Drie-eenheid’. Fusie en separatie, autonomie en verbondenheid, haat en liefde gaan over de generaties heen bij Leonardo hand in hand.

• Het Laatste Avondmaal

Als het gaat over de identificatie van Leonardo met Jezus is het interessant daarbij een ander bekend schilderij van Leonardo te betrekken: het Laatste Avondmaal. Leonardo schildert dit avondmaal wel op een heel specifiek moment, namelijk op het moment dat Jezus zijn leerlingen meedeelt dat een van hen hem zal verraden en zal uitleveren aan zijn vijanden. Er ontstaat grote consternatie en paniek. Leonardo beeldt de reacties van de verschillende apostelen uit, voornamelijk via de taal van hun armen en handen. Petrus: driftig en agerend. Judas: onverstoorbaar en bevroren. Hij is de enige die niet in paniek is; hij weet wat er staat te gebeuren. Jezus: kalmerend en open, ontvankelijk.
Jezus is het centrum van het schilderij ; het licht en het perspectief lopen naar hem. Het schilderij gaat over verraad en verlating, een thema waarmee Leonardo uiterst bekend was gelet op zijn geschiedenis. Het was Jezus die aan het kruis uitriep: Mijn God, Mijn God , waarom hebt Gij Mij verlaten. Die Bijbelse zin zou kenmerkend kunnen zijn voor het leven van Leonardo en zijn zoektocht naar de betekenis ervan. Jezus, Leonardo en Freud; ze hebben wel iets met elkaar, alle drie geadoreerd door hun moeders, alle drie een afwezige vader, alle drie iets met grootheid en vragen rond seksualiteit.

Conclusie

Leonardo groeide de eerste vijf jaar van zijn leven op zonder vader en met een grensoverschrijdende moeder met alle consequenties voor zijn psychische ontwikkeling van dien. In de normale ontwikkeling is de aanwezigheid van het vaderobject naast het moederobject belangrijk en faciliterend voor de wijze waarop het kind het Zelf en het Object van elkaar weet te differentiëren. Het is de vaderloosheid en het overheersend zijn van het primair moederobject, die Leonardo’s leven hebben bepaald. Hij was in staat het gemis in zijn leven te sublimeren en dat heeft hem gemaakt tot de genius die hij is geworden: groot als kunstenaar en als wetenschapper. Het was echter balanceren op de grens van creativiteit en destructiviteit. Creativiteit als een poging om trauma, verlies en pijn hanteerbaar te maken.
Zijn vroege kindertijd is gekleurd door veel separaties, intense ambivalenties, veel liefde, maar ook veel haat. Het zal zijn zelfgevoel sterk hebben beïnvloed. De adoratie door moeder zal daarbij ook een belangrijke rol hebben gespeeld. Hoe individuen omgaan met de conflicten, tekorten en traumata in hun leven loopt fundamenteel uiteen.

Vaderloosheid zorgt ervoor dat de grenzen tussen moeder en kind minder scherp worden getrokken dan in een situatie waarin van het begin af aan een liefdevol derde object aanwezig is. Enerzijds kan vaderloosheid leiden tot de afwijzing van regels en grenzen en daarmee tot een destructieve miskenning van de externe realiteit. Anderzijds kan het ook leiden tot het bewustzijn van het op zichzelf zijn aangewezen, door het ontbreken van een externe autoriteit, welk tekort in zekere zin wordt gerepareerd en gecompenseerd door het opbouwen van een innerlijke autoriteit. Creativiteit en succes, maar ook zelf-destructiviteit liggen op de loer. In het geval van Leonardo faciliteert de vaderloosheid en de daarmee verbonden dominante aanwezigheid van het primair moederobject de sublimatie van de seksuele drift naar voyeurisme en kunst en anderzijds naar wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Waar het om gaat is of iemand de potenties heeft en zich vervolgens mag toestaan de pijn van het gemis om te vormen naar innerlijke groei en vrijheid van denken. Het gevaar is dat het afgewezen kind zichzelf blijft ervaren als slecht en daarom zichzelf moet straffen door geen succes te mogen hebben. Of vanuit een ander perspectief: dient het leven in het teken te staan van een voortdurend moeten bewijzen dat je als kind wél de moeite van het zien waard bent? Centraal staat de beleving niet gezien te zijn noch door vader noch door moeder. Maar later ook niet door zijn stiefmoeder; bij haar kwam hij in de plaats van haar ongeboren kinderen. Falende sensitiviteit en daarmee falende responsiviteit vielenhem ten deel. Als altijd gaat het om Liefde en Haat, om Creativiteit en Destructiviteit. Dat is waar het om gaat in de wereld van de kunst én in de wereld van de psychoanalyse.

Het domein van de Creativiteit

Balint (1968) beschrijft in zijn boek over de ’basic fault’ drie verschillende niveaus van mentaal functioneren, die ons kunnen helpen de creatieve ontwikkeling van Leonardo te begrijpen.

• Het eerste domein gaat over de oedipal wijze van functioneren. In dat domein zijn er naast het kind nog twee andere objecten. De kwaliteit van de relaties is daar triadisch. Hier staat de patiënt open voor duidingen. Het is het domein van de gementaliseerde representaties. De persoon is in staat een adequate balans te vinden tussen autonomie en verbondenheid.

• Het tweede domein is dat van de ‘Basic Fault’. Daar is er naast het kind slechts één ander object; daar zijn de relaties dyadisch. De patiënt staat in dit domein niet open voor interpretaties. Het is het domein van de niet-gementaliseerde representaties. Hier zal het kind óf in zichzelf investeren (Philobatic) óf in de ander (Ocnophilic) en niet in zichzelf. De persoon focust óf op zichzelf/autonomie óf op de ander/verbondenheid.

• Het derde domein is dat van de creatie. Daar is naast het kind geen ander gratificerend object aanwezig dan het kind zelf. Het is het domein van de onthechtheid. Het kind probeert van binnenuit een meer bevredigende relatie op te bouwen met de externe werkelijkheid dan het externe object kan bieden. Hier gaat het om artistieke of wetenschappelijke creaties, maar ook door het creëren van ziekte of pathologie. Geen betekenisvolle objecten en geen objec¬trelaties en dus ook geen overdracht. Er zijn geen relaties met anderen, het gaat alleen om functies. “No object, no object-relation and by that, no transference.” De traditionele psychoanalytische methodiek schiet hier tekort. In het domein van de creatie zijn er geen objecten, maar we weten ook dat Leonardo gedurende bepaalde episodes niet helemaal alleen was. Balint merkt hierbij op dat we geen adequate woorden hebben om dit ‘iets’ dat er is als iemand niet geheel en al alleen is, te beschrijven. Hij stelt de term ‘pre-object’voor en hij vergelijkt dit met Bion’s alfa- en beta-elementen, en met alfa-functioneren. Deze pre-objecten zijn zo primitief dat ze niet ‘georganiseerd’ zijn en geen coherent geheel vormen. Alleen als het proces van creatie succesvol is verlopen en geleid heeft tot het ongeorganiseerde georganiseerd te maken, kan er een verbale gemedieerde en oedipale relatie tussen de persoon en zijn omgeving ontstaan. Balint noemt hier expliciet Leonardo da Vinci als het gaat om het domein van de creatie. Zoals altijd gaat het om het samengaan van Liefde en Haat, van Creativiteit en Destructiviteit. Dat is waar het om gaat in de wereld van de kunst en in de wereld van de psychoanalyse.

‘Vol ist zahlloser Ursachen die niemals in die Erfahrung traten’

Ik wil dit verhaal besluiten met Freud die Leonardo da Vinci citeert aan het einde van zijn studie over Leonardo. Freud gebruikt dit citaat aan het einde van zijn boek over Da Vinci (1910). Het citaat gaat over de natuur in zijn algemeenheid, maar Freud past het toe op de menselijke natuur of zoals we tegenwoordig zouden zeggen op de ‘mind’. Hij duidt ermee aan dat in onze mind van alles is opgeslagen dat niet in herinneringen tot uiting kan en zal komen. Kortom, in dit citaat vinden we de aanzet van Freuds visie op het onbewuste samengevat.

* Een van de oorzaken van het onbewuste is gelegen in het feit dat bepaalde gebeurtenissen buiten de communicatie tussen het individu en zijn omgeving is gevallen, doordat bepaalde aspecten van de interactie door de ander niet of niet adequaat zijn gerepresenteerd in cognitief dan wel affectief opzicht.
* Een andere oorzaak kan zijn dat de werkelijkheid te veel gaat lijken op de fantasie van het zich ontwikkelende kind. Op dergelijke momenten wordt het fantaseren geblokkeerd (vergelijk wat we eerder stelden over het concept Nachträglichkeit). Er moet verdrongen worden, omdat de gebeurtenis waarover het gaat nog niet kan worden gerepresenteerd als een affectief en cognitief schema en dus niet in de beleving kan worden opgenomen. Onbegrijpelijke gebeurtenissen blijven liggen in een onbegrepen toestand als waren het slapende honden (de verdringing is succesvol). Totdat ‘nachträglich’ de slapende honden wakker gemaakt worden door een specifieke gebeurtenis die verbonden wordt met de oorspronkelijke gebeurtenis (de terugkeer van het verdrongene).

Dit dynamische onbewuste moet onderscheiden worden van wat Fonagy noemt het ‘Nonconsciousness’ en wat Sandler noemde ‘het descriptieve of procedurele onbewuste’. In dit laatste gaat het om ervaringen die buiten de verbale mediëring om procedureel zijn opgeslagen in ons brein. Dit procedureel onbewuste heeft contextgebonden wachtwoorden nodig om te kunnen worden opgeroepen.

Seksualiteit behoort ten principale tot het domein van het ongementaliseerde procedureel onbewuste. Dit betekent overigens niet dat er geen seksuele problemen zijn waar de psychodynamiek van Freud niet op van toepassing is, maar … het verlangen dooft nooit.

Dr. M. de Wolf